28 augustus 2016

Wist je dat niet

Een verlangen naar de zee. En ook een beetje schrik, voor het gesprek met de zee. Of zoiets.

De tram rijdt langs het water. De zee is mooi. Het is altijd een beetje veel, veel ineens. Maar de zee blijft er rustig bij.

De oudere mevrouw stapt moeizaam in. Ze zegt aan haar man dat hij haar moet duwen, op de treden. Hij duwt. Ze is binnen. De tram vertrekt. Ze geeft hem een kushandje. De man blijft staan kijken, en wuift haar na. De vrouw glimlacht.

Na je aankomst snel naar de zee. Je wilt haar bijna aan kunnen raken. Het is warm op het strand.

De zee doet wat ze altijd doet. Bij het eerste contact is ze terughoudend, ze doet alsof je er niet bent. (Ze laat je waarschijnlijk verstaan dat het te lang geleden is.)

Je brengt je verhaal, in het zaaltje. Iemand vraagt je hoe vaak je die lezing nu al hebt gegeven. Je zou het niet weten. (Het maakt je nog altijd een klein beetje verlegen, al merkt hopelijk niemand dat. Je voelt je vereerd, dat er mensen komen luisteren.)

Later op de avond nog even terug naar de zee. Je kijkt. Ze ziet je, je voelt het. Ze weet dat je er bent, je voelt het. Wat je haar wilt vragen, het vormt zich nog niet in je hoofd.

Een warme en rusteloze nacht. Veel verhalen door elkaar, in een soort slaap.

Vroeg in de ochtend. Eerst naar de zee. (En onderweg ook de kranten, natuurlijk.) Je ziet je vragen in je hoofd. Ze blijven aan deze kant van de woorden. De zee hoort je vragen zonder woorden, je voelt het.

Een mooi gesprek over zingeving, geloof, spiritualiteit, zoeken, sommigen met een god, anderen zonder. (Je denkt ook aan de zee. Je kijkt naar je handen.)

Je denkt aan iemand. Wat zal de zee zeggen?

De namiddag is te warm om naar de zee te gaan. Het maakt je een beetje rusteloos dat het misschien al laat zal zijn als je weer daar zult zijn.

Een gesprek over een boek dat binnenkort uitkomt. Je voelt je een deel van iets.

Na de filmvertoning hol je bijna naar de zee. Iets van het licht wil je vastleggen. De foto’s zullen hun eigen werkelijkheid zijn. Wat je hier ziet, is alleen hier.

De zee zegt haar iets.

Je loopt de pier op. Op de bank blijf je heel lang zitten. Daar, boven het water.

Zoveel herinneringen komen terug. Met wie je hier ooit was, op deze plek, en met welke verhalen je hier kwam. Iets in je hoofd is open voor de wind, het is een bries. Je beseft iets.

Je probeert te luisteren naar de zee. (De zee zegt nooit wat je zou willen horen.)

Tot je het hoort. “Jij weet waar de stroom is.”

Hoe het water beweegt, de golfbreker betastend, strelend, innemend, vragend, voelend, ruikend, zoekend, vindend.

Terug op weg zie je het ineens. In dat bewegend water, daar. Hoe het over die golfbreker schuimt. Loslatend zonder de verbinding met het water te verliezen. En hoe die andere golf van de andere kant komt. Ze schuiven in elkaar. Je weet niet waar de golf begint en het water ophoudt. En ineens zie je het. Zo zou je lichaam kunnen zijn.

Het is koel op de pier. Zodra je weer aan het land bent, is het weer warmer.

Het vuurwerk zal snel beginnen. Je hebt een herinnering aan dat vuurwerk.

De nacht is anders rusteloos. Andere verhalen.

De volgende ochtend. Vroeg naar de zee. Nu is het echt fris, lekker.

Je staat aan de rand. Het water komt langzaam in jouw richting. Bij elke kleine golf een beetje dichter. Je zult wachten, en terwijl luisteren.

Ineens is het alsof het water, daar, begint te tintelen. Het straalt. Iets in je hoofd zegt: de zee straalt vreugde uit. Je denkt: klinkt dat niet wat onnozel? Je kijkt, en kunt alleen vaststellen dat het wel zo is. Een soort vreugde.

Het water raakt nu je tenen. Ergens hoor je een stem in je hoofd die je zegt dat de zee je graag ziet. Je vraagt je af of dat zo is, of dat zo kan zijn, of dat sowieso mogelijk is. Je hoort iets. “Wist je dat niet?”

Je gaat terug naar het land, laat de rand achter je. Je hoort de zee nog. Je zoekt een mooi schelpje.

Een mooi gesprek over boeken. (Het is alsof je een beetje in je eigen speeltuin bent, denk je, al zoveel jaar. Dat je dat zomaar mag doen. Vragen stellen en mensen doen dromen van of door boeken, of zoiets, moeilijk uit te leggen.) De mensen naast je ontroeren je erg.

Je probeert iets te vertellen over woorden.

Iets met de stroom.

In de tram blijf je oogcontact houden, met de rand, waar het water het land teder raakt.

In de trein. Het boek is nog altijd even dik, ook al ben je al een stuk over de helft. De woorden zijn mooi.

Thuiskomen. Denken aan verhalen. En de dingen die je zag.

25 augustus 2016

Even onderhandelen nog



Toch even wennen dat de vakantie voorbij is.

En ’s morgens als een klein jongetje weer naar school, weer naar het werk dus.

Lekker doorstappen in de ochtend. En tegelijk hopen dat je niet te veel zult zweten als je zo meteen bij de kinesiste op de tafel gaat liggen. (Beetje mission impossible. Eigenlijk.)

Mooi om mensen op het perron te bekijken, na het uitstappen.

De mevrouwen die in de etalage staan, met spitsvondige vestimentaire niemendalletjes die op miraculeuze wijze aan allerlei al dan niet kunstmatig bewerkte rondingen blijven hangen. Het moet echt geen pretje zijn voor hen met dit weer. (Eigenlijk zou je nog eens moeten bellen met Victoria, om te horen hoe het met haar gaat.)

Terug in de toren waar je werkt. Meteen verwelkomd worden door de kinderen die in de vakantiekinderopvang zitten. Glimlach.

Je weet niet helemaal zeker of het in alle gevallen een goed idee is dat mannen in korte broek naar het werk komen. Die ene meneer met zijn roze broek (die eigenlijk ook nog een klein beetje te dik staat), je weet het eigenlijk niet zo goed. (Die uitdrukking ‘te dik staan’, die heb je altijd raar gevonden. Maar in het geval van die roze broek klopt ze wel. Eigenlijk.)

(Het gebruik van het woord eigenlijk.)

Nadien beseffen dat je toch naar dat middagconcert in het park had moeten gaan…

Het plezier van het vlotjes afwerken van alle achterstand na de vakantie. (Het lijkt wel alsof je goed bezig bent.)

(Ineens beseffen dat het aantal ijsjes dat je deze zomer al at bijzonder laag is. Hoe zorgwekkend is dat?)

(Je afvragen of de mevrouw aan het loket, als je haar vorige week al geknipt was, niet zou hebben gevraagd in welke leeftijdscategorie je zit.)

Van de hitte in de heel koele trein. Voelen hoe je lichaam overschakelt.

Denken dat er iets belangrijks staat te gebeuren. Alleen weet je nog niet wat.

Fijne gesprekken in de tuin.

Thuiskomen nadien. Net op tijd.

(Geef me een minuutje.)

Een bijzonder gesprek. (Langverwacht. Eigenlijk.) Het raakt je heel erg. Iets met breekbaarheid. En zachtheid. (Dat moeilijke woord over de kwetsuur ga je later toch nog even opzoeken.) En iets met blij zijn voor een leven. En zo.

En de verrassing dus.

En hoe je kijkt. Tijdens het spreken. En ook woorden ziet.

(Misschien was de dag te gevuld. Denk je later als de slaap niet komt. Je loopt nog even door het huis, in de nacht. Voelt ook wel prettig, om een of andere reden. Nadien wacht je tot je lichaam wegzakt in de eigen bedding.)

(Er waren veel bijzondere dromen de voorbije nachten. Ingewikkelde verhalen.)

Lekker door de ochtend stappen. (Die meneer op de bank kijkt je wel heel lang na.)

Die mevrouw die voor je staat in de krantenwinkel had gisteren een ander (ook beeldig) jurkje aan. Ze is nog kleiner dan je gisteren dacht dat ze was. (In de categorie ‘belangwekkende informatie in de ochtend terwijl je hoofd nog een klein beetje sufjes is omdat het toch al vrij warm is op dat vroege uur, eigenlijk’.)

En tussendoor onderweg al denken aan de zee, die je snel zult zien nu.

En dat je ook nog even moet onderhandelen met de kosmos.

23 augustus 2016

Tot het donker wordt

‘Zullen we zo buiten blijven zitten tot het donker wordt?’
‘Ja, dat doen we.’
‘We hebben toch veel bij te praten, denk ik.’
‘Maar dat zal altijd zo zijn.’
‘Zullen we altijd veel bij te praten hebben?’
‘Ja, dat is het uitgangspunt.’
‘En dan hoef je niet elke keer alles gezegd te hebben. Je kunt altijd nog wat overhouden voor de volgende keer.’
‘Dat is de bedoeling.’
‘Wat dacht je vorige week bij de volle maan?’
‘Bijna had ik je gebeld.’
‘Om wat te zeggen?’
‘De volle maan, dat wou ik zeggen.’
‘Waarom deed je het niet dan?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Ik had het ook bijna gedaan vorige week. Bellen. Tijdens de volle maan.’
‘Misschien zijn we wel een beetje onnozel.’
‘Misschien?’
‘Zullen we dat ooit weten?’
‘Misschien weten we het al, maar zullen we het nooit weten.’
‘Hij doet het weer…’
‘Ben je soms bang dat je de stem zult vergeten van iemand die bijzonder voor je is?’
‘Ik denk het niet.’
‘Ik wel. Het kan me soms ineens overvallen, dat gevoel. Waarschijnlijk is er geen reden voor, maar het gebeurt.’
‘Wat zou er dan gebeuren? Als je mijn stem niet onmiddellijk zou herkennen, om een dom voorbeeld te nemen.’
‘De wereld zou een beetje instorten. Het zou zijn alsof er een stuk van mij is weggedreven. Zo’n beetje zoals een stuk van een ijsplaat of zo, en dat je dat dan zelf ziet gebeuren.’
‘Misschien is dat wel goed, op een of andere manier. Loslaten, en zo.’
‘Weet je, ik geloof daar eigenlijk niets van. Dat wegdrijven, dat ziet er zo definitief uit. Misschien is dat wel niet zo, maar zo voelt het.’
‘Ik denk dat ik een van die drijvende stukken ben. Maar ik zal wel altijd jouw stem herkennen.’
‘Ook als ik oud ben?’
‘Ik wou zeggen: dat ben je toch al. Maar dat zeg ik niet. Ja, dus.’
‘Vorige week, met de volle maan zou jouw stem goed geweest zijn. Ik heb lang buiten gezeten, gewoon kijken, naar de maan. Ik had die dag met iemand een lang gesprek gehad, en dat had me heel onrustig gemaakt. Ik voelde hoe twee verhalen tegen elkaar aan schuurden, elkaar soms raakten, maar eigenlijk naast elkaar bewogen, weg van elkaar. Dreven misschien wel, om in het beeld te blijven. Ik heb dat gevoel al enkele keren gehad. En ik dacht, of ik hoopte, dat het toch mogelijk moet zijn dat twee verhalen, ook al zijn ze verschillend, wel naast elkaar bewegen, maar toch voorzichtig in elkaar grijpen. Zoals met tandwielen of zo. Ik weet niet of dat het juiste beeld is. Maar iets in die aard.’
‘En wat heeft dat met mijn stem te maken?’
‘Omdat ik dat gevoel wel vaak had bij jou. Dat in de loop van een gesprek de twee verhalen in elkaar begonnen te haken, op een rustige manier. Niet dat ze één verhaal werden, dat niet, maar dat was ook net goed, of zo.’
‘Misschien ben ik wel bang van dat gevoel.’
‘Dat hoeft niet. Het mag van de maan.’
‘Ja?’
‘En de maan geeft genoeg licht. Het is stil, en je kunt in het licht blijven staan. Er gebeurt niets dan.’
‘En wat moeten we dan doen als de maan niet zichtbaar is?’
‘We kunnen nog altijd onze ogen sluiten en dan de maan zien.’
‘Kunnen we dat?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Misschien.’

20 augustus 2016

Uw leeftijdscategorie

Na een te korte nacht het moment waarop je beseft dat er sprake is van een ernstige vorm van overslapen. Je had het allemaal nog zo netjes voorbereid de avond daarvoor. Oud papier keurig samengebonden. Nog enkele extra pakjes klaargelegd (in het kader van het verder afwerken van de lijst met nuttige dingen). Normaal dus lekker vroeg opstaan, papier buiten klaarleggen, omdat die vrachtwagen altijd erg vroeg komt. Je rustig klaarmaken zodat je monter en fris op tijd bij de kinesiste bent. En nu ineens wakker worden door het geluid van de vrachtwagen, en beseffen dat je zo ongeveer twintig minuten later bij de kinesiste moet zijn (om daar nog een klein beetje te vroeg te kunnen aankomen). Uiteindelijk om vijf voor acht in de wachtzaal zitten.

Later met diepe schaamte aan de twee mevrouwen in de winkel vertellen dat er die ochtend sprake was van onaanvaardbaar gedrag. Veelbetekenende glimlach. (Op zich was het ook wel goed eigenlijk dat je toch, onverwacht, een beetje langer hebt kunnen slapen.)(Eigenlijk.)(En dat je het toch durfde om aan de kinesiste te vragen om eens extra te kijken naar je vastgelopen nek was ook wel dapper.)(Eigenlijk.)(Waarom zou je dat niet durven?)(Eigenlijk.)(Existentiële vraag.)

De volgende ochtend. Wakker worden, en denken...

Aan het loket in het station. Je vraagt een B-dagtrip naar het museum. De mevrouw vraagt voor welke leeftijdscategorie het is. (Misschien is dat een vaste procedure. De mevrouw is nog nieuw, is in haar stage.) Je antwoordt door naar jezelf te wijzen. (Je ziet een lichte twijfel in haar ogen. Misschien was het geen kwestie van procedure, maar is er een fundamenteel probleem, qua leeftijdsuitstraling dan.) Ze vraagt hoe oud jij bent. (Oei, lichte schok in de gelederen. Moet misschien aanleiding geven tot existentiële crisis…) Je vraagt vanaf hoe oud je oud bent voor een B-dagtrip en zegt dat je 51 bent. Ze begint uit te leggen dat er blijkbaar een of ander verschil is tussen gewone tickets en dagtrips qua oud, of zoiets. Het ene is vanaf 60, het andere vanaf 65. (Je vraagt je af of haar vragen dus willen zeggen dat ze eigenlijk dacht dat je 61 was of zo… Je durft die vraag niet te beantwoorden in de innerlijke dialoog.) Ze legt nog eens extra uit dat het ene ticket voor de trein is en het andere voor het museum. (Dat had je eigenlijk zelf ook al gezien, denk je. Maar dat zal ook een kwestie van procedure zijn, ongetwijfeld… Misschien toch maar een existentiële crisis overwegen. Op oneven dagen.)

Toch wel erg mooi, die grote locomotieven.

Nadien, in de mooie brasserie. Een mooi en traag gesprek. (Soms denk je dat je te traag spreekt. Je probeert de zinnen nauwkeurig te formuleren.) Een tafeltje verder. Een gezin met een klein meisje dat het op een verscheurend huilen zet. De lieve mevrouw die in de brasserie werkt komt vragen of zij even met het meisje mag gaan wandelen. De moeder aarzelt een klein beetje, maar laat het toch gebeuren. Even later komt de mevrouw terug binnen, met het meisje dat  helemaal rustig zoeterig voor zich uit kijkt. (Die mevrouw heeft magische krachten.)(Eerder op de week was je nog op babybezoek. Die kleine meid was ook een hele tijd heel rustig zoet aan het slapen. Je kon alleen maar blijven kijken. Je dacht nog: is dat niet onbeleefd, zo blijven kijken? En je dacht nog: misschien helpt mijn lage buikstem wel om een baby rustig te houden, zoals al eerder bleek. Wie weet?)(Een mens moet toch af en toe zichzelf iets wijsmaken.)(Misschien heb je wel een magische buik.)

De volgende ochtend. Wel netjes op tijd uit bed. Om vroeg op de markt te zijn.

Een stukje maken dat binnen enkele dagen zal gepubliceerd worden. Iets met de cellosuites. (Je denkt nog even terug aan die mooie avond, vorig jaar, toen je ze alle zes na elkaar hoorde spelen in de kerk. In fijn gezelschap. Je had het ooit beloofd aan haar, dat jullie dat samen zouden doen.)(En na het concert aan de muzikant vragen om een boodschap te schrijven in de cd met zijn nieuwste opname van de suites.) Je probeert iets kleins te schrijven over iets dat eigenlijk groot is. (Je kunt nu al voorspellen dat sommigen je stukje wel weer te klein zullen vinden, maar dat geeft niet.)

De druiven zijn lekker. Mmmmm.

Na de vergadering, middernacht, je staat nog even na te praten aan de rand van het plein, dicht bij het water. Even nog opgespaarde nieuwsjes uitwisselen. Een klein muisje komt rustig tussen jullie in voorbij getrippeld.

Een beetje haperend opstaan de dag nadien. (Je vraagt aan je spiegelbeeld in welke leeftijdscategorie hij zit.)

Tussen de boodschappen door even een koffietje in fijn gezelschap. De mevrouw van de koffiebar heeft zelf precies veel koffie gedronken.

En je denkt…

17 augustus 2016

Wat als

En wat als je zinnen zouden doorlopen? In zinnen. Wat als je de eindeloze stroom aan gedachten die tot je komt ergens in de nacht zou weergeven? De tijd die het nodig heeft. Je lichaam. Om heel langzaam leeg te lopen, wat gedachten betreft. De tijd die het nodig heeft om terug in je lichaam te zakken. Voelen hoe je zwaarder wordt, als het ware. Hoe je neerdaalt in je eigen bedding. Hoe lang het duurt soms. Hoe lang je soms moet wachten. En hoe je dan voelt dat het langzaam komt. Nadat je eerst nog wat door het huis hebt gewandeld. Wonderlijk hoe alert je lijkt, hoe wakker. Wonderlijk hoeveel je kunt zien, ergens diep in een nacht. Hoe je weet dat je niet mag denken aan hoe kort de nacht zal zijn. En hoe je weer begint te lezen. En hoe je merkt dat je langzaam maar zeker dichter bij de woorden kunt blijven. Bij de zinnen zelfs. En hoe dat iets doet met jouw zinnen. Ergens. Later ga je heel voorzichtig liggen. Afgekoeld. Klaar om uit handen gegeven te worden. Wat niet helemaal zal lukken, dat weet je al, maar het geeft niet. En je probeert kleuren te zien. Je ziet dingen in die kleur, je zoekt dingen in die kleur. En daarna mensen. Die jij alleen ziet. De nacht misschien ook wel. Misschien weet de nacht wat jij ziet. Zou dat zo zijn? En zouden anderen in hun dromen jouw dromen kunnen binnentreden? Zachtjes. Ongemerkt. Wat als het zo zou zijn? Dat je naar de dromen kunt gaan. Dat je naar die zinnen kunt gaan. Die nog geen zinnen zijn. En dat je nooit zeker weet wanneer je in de slaap kantelt. En dat je dat vroeger wilde weten. Wat geen goed idee was. Zo bleek telkens weer. Maar dat geeft nu niet meer. Soms schiet je wakker, zoals onlangs nog. Alsof je op een eiland van rusteloosheid bent gedropt. Waar niemand je kan horen. Waar je alleen kunt vertrouwen dat je terug zult keren. Naar je zinnen. Waar je altijd al wilde zijn. Of die plek ook zinnelijk is, is een andere vraag. Misschien is die geschikt voor de lege plekken tussen de zinnen. Dat weet je niet zo goed. Of wel. Misschien wel. Wat als? Wat als je zichtbaar zou zijn? Wat als je zou kunnen blijven? Soms lopen de zinnen door je hoofd. Je kijkt. Naar de zinnen. In je hoofd. Ze bewegen de hele tijd. Wie ze zou horen, zou denken dat je hele zinnen hebt. Klaar. Wachtend. Misschien is dat wel zo. Wat als? En wat als je alle mogelijkheden die rusten in een moment zou kunnen beschrijven, verzinnen? Zoals in dat boek dat je leest. Dat dikke boek. Met die lange ademende zinnen. Eindeloos. Niet dat je denkt: schiet nu eens op. Nee, toch niet. Meer iets van schaamte. Dat er zoveel momenten zijn die zomaar voorbij gaan. Met al die mogelijkheden in zich. Al die schakeringen. Al die dingen die zouden kunnen. Al die wachtende aanrakingen die mogelijk zouden zijn. Dat zie je, in die zinnen. Dat je ze zo vaak nog niet ziet. Dat je de momenten voorbij laat gaan. En soms vraag je je af: hoeveel momenten heb ik voorbij laten gaan? Wat als? Wat als ik dat niet had gedaan? En hoeveel momenten heeft een ander in mijn buurt voorbij laten gaan? Die vraag is nog moeilijker. Omwille van het antwoord. Uitnodigingen tot zinnen. Zoveel. En dat die er allemaal zijn. Je denkt het wel eens, als je naar iemand kijkt. Dat je alle momenten uit elkaar zou willen halen. Ze netjes naast elkaar leggen. Ze allemaal bekijken. Ze allemaal aanraken. Als zinnen. Soms denk je dat, enkele uren later. Soms denk je, op het moment zelf: nu moet ik ze voorbereiden, de zinnen die zouden kunnen komen, die gaan komen. Het kan zijn dat die zinnen verdwijnen. Of verschuiven. Verhuizen. Naar de verhalen die niet verteld werden. Die hadden kunnen verteld worden. Soms lopen we voorbij aan onze verhalen. Ontzeggen we onszelf onze verhalen. En soms kun je ze zien. Tijdens een nacht. Of niet alleen dan. In het huis. In de ruimte rondom je. Afdrukken, als in het zand, van verhalen. Niet verteld. Je kunt ernaar kijken. Je kunt zien wat ze met de tijd zouden doen. Die zinnen. Ze zouden je littekens veranderen, denk je wel eens. De onrust van verhalen die niet verteld werden. Of worden. Die onrust kan je lichaam doen bevriezen. Of een beetje toch. Zelfs in de zomer. Maar de zinnen zijn er nog. Zoals in dat boek. Eindeloos cirkelen ze om de mogelijkheid. Wat als? En wat als je iets over je handen zou vertellen? En dat terwijl je op de achtergrond Die Kunst der Fuge hoort. De troost van de eeuwige herhaling, die toch telkens anders is. Zinnen die schuiven naar een einde, naar een soort afgrond, of minstens een drempel. Eindeloos. En eindig. Tegelijk. Wat als? Wat als je zinnen zouden zijn als die muziek? Wat als je zou kunnen dansen, zo? Hoe de stemmen elkaar zoeken, een stap naar elkaar zetten, daarna weer wegvluchten, en altijd terugkeren, naar waar ze elkaar zouden kunnen aanraken, misschien. En zo lopen de zinnen door. In je hoofd. In je lichaam. Sommigen zeggen dat je van woorden bent. Het is niet zo. Het zou niet te onderscheiden zijn, waar de woorden eindigen en je lichaam begint. Daar waar het kraakt, daar en daar, om maar iets te zeggen. Of wat je in de spiegel zag, die ochtend. En wie je zag, naast je. En al het falen. En de zinnen. De zinnen die doorlopen.

14 augustus 2016

Lekker

De meneer die je verwarmingsketel komt controleren komt je zeggen dat er een stuk stuk is. Hij laat je zien waar het zit. Je kijkt met een poging tot intelligente blik. Je knikt alsof je vanbinnen niet denkt dat alles nu onmiddellijk zal ontploffen als dat stuk niet onmiddellijk vervangen wordt. Je vraagt nog of je iets had kunnen doen om te vermijden dat het stuk stuk ging. Nee, zegt hij. Bij dat merk gaan die stukken snel stuk. Waarvan akte. Voor een stuk toch.

Die mevrouw in het hoorcentrum heeft wel veel haar op haar armen. Stoer.

Het boek is aan de dikke kant. (Eufemisme.) Het boek is dik. (Objectieve vaststelling.) In de trein houdingen proberen te zoeken om het toch soepel te kunnen lezen. Niet eenvoudig.

Je hoort de dochter van een vriendin met veel zwier Italiaans praten door de telefoon die op speaker staat, en je smelt een beetje.

In de natuurwinkel een belangwekkend gesprek met de twee mevrouwen die er werken. Ze bekennen dat ze zomaar lang kunnen uitslapen. Uitermate decadent natuurlijk. Ze vragen of jij toch niet zo gek bent om zelfs in je vakantie een wekker te zetten. Niet alle dagen, is het antwoord. Zonder zou wel erg decadent worden. Veelbetekenende blik in jouw richting. Je bent zonder twijfel ‘beyond salvation’… (Je probeert nog uit te leggen dat je wel vroeg moest opstaan om die stronk buiten te leggen omdat het die dag ophalen van snoeihout was en omdat ze altijd heel vroeg komen bij jou in de straat. Het argument maakt geen verpletterende indruk.)

Bij de stukjesschrijvenplanning rekening houden met het bezoek dat ’s avonds zal komen en misschien zal blijven hangen. Dus, zomaar, in de late namiddag al een stukje maken. Decadent.

Een fijn bezoek die avond. En het wordt ook laat. Nadien ben je blij.

Overwegingen.

Naargelang het type trein moet je opnieuw zoeken naar leeshoudingen voor het dikke boek. De trein waar je in zit zorgt voor een slapend been. Ligt dat aan het boek? Of aan de trein? Of aan jouw rammelend lijf?

Mooie gesprekken. Lekkere taart. (Je eet ze toch maar met je handen, want met dat vorkje zal het anders gegarandeerd fout gaan en zal er een stuk taart door de lucht vliegen.) Open haard. Nieuwe inzichten.

Terugkomen van je bezoek, en zien dat de buren nu echt verhuisd zijn. Klein beetje droevig toch.

Wat een mooie film…

’s Morgens vroeg op de markt. Je staat een hele tijd te kijken omdat de druivenmevrouw niet op haar vaste plaats staat. Dan schrikken omdat ze je roept, je staat zo ongeveer naast haar kraam.

Je staat op het perron te wachten op je bezoek. Beetje gokken: op welk perron zal ze aankomen?

Jullie vertrekken voor de wandeling. Jij kent iedereen hier precies, zegt ze. En net die dag kom je inderdaad veel bekenden tegen.

Wachten. Toch.

Die ochtend in de winkel. In je hoofd uitrekenen hoe lang je nog met de yoghurt toe zult komen. Vaststellen dat je dit keer toch doorhebt dat er een feestdag is.

Op het terras zoeken naar goede houdingen voor het dikke boek. Zien hoe je de hele tijd de bladzijden streelt, of zoiets. (Het papier van het dikke boek vraagt erom.) Tussendoor ook proberen houdingen te zoeken die die harde nek en rug zachter zouden kunnen maken.

De nieuwe buren beginnen te werken in het appartement.

Twee films simultaan kijken. (Zou men die gruwelijke reclame over die site die hotels rangschikt niet via een besluit van de Veiligheidsraad kunnen verbieden?)

Een slechte nacht. Een hard lijf ’s morgens.

Dansfilmpjes.

Poetsen, met Cubaanse muziek van die mooie oude pianist. Je zag hem ooit nog live spelen.

Nog even de fiets op. Hard fietsen op de hellingen. (Ook even langs de achterkant van het ziekenhuis rijden, om te zien hoe die ingang er nu uitziet, na al die jaren. Daarmee is het ritueel voorbij.)

Je dagdroomt over dingen die je lijf weer zacht zouden kunnen maken. (Soms merk je dat er iets naar buiten moet komen, of zo.)

Het dikke boek heeft overigens ook een leeslint.

Chocolade is wel lekker, eigenlijk.

Er is ook nog een andere herinnering die bij dit moment van het jaar hoort. De muziek brengt je weer terug. Naar toen.

13 augustus 2016

Vallende sterren en een verdwenen zon

Het is de tijd van het jaar. Zoals elk jaar. Elk jaar rond deze tijd denk je: ik moet een stukje schrijven. Je weet niet meer helemaal juist waarom, het is als een ritueel. En toch ook niet. Het komt ook gewoon, vanzelf, elk jaar, rond deze tijd. Het is goed. Het is wat het is.

De vrouw in de winkel lacht, en zegt dat ze die avond buiten zal gaan kijken naar de vallende sterren. Wat zou je anders moeten doen? Dat zegt ze. En jij denkt aan zoveel jaar geleden, in de tuin, bij een dierbare vriendin, er was een verjaardagsfeestje, samen met je zus, kijken naar de zonsverduistering. En de rillende koorts, toen het donker werd.

De koorts die er al de hele vakantie was, lichtjes, net onder je huid precies. Je was zo moe, de hele tijd. Je ziet nog beelden van een fietstochtje dat je deed, hoe totaal uitgeput je boven op die helling aankwam. En je dacht alleen: ik ben nog moe, na een zwaar jaar.

Je gaat het even opzoeken, wanneer het was, in 1999. Je herinnert je nog dat het een woensdag was. Donderdag ging je dan toch maar naar de dokter. En zaterdag was er al de eerste controle in de polikliniek. Enkele dagen daarna was je in het grote ziekenhuis, voor enkele dagen. En nog enkele dagen later kreeg je te horen wat er aan de hand was. Het weekend daarna zou de koorts plots pieken, tot bijna 42°C. Je ziet al die momenten nog heel helder voor je. Je herinnert je nog hoe het licht was.


Sommigen zullen zeggen: laat het toch gewoon achter je, het is voorbij. Je begrijpt hen. Maar het is nooit echt voorbij, denk je. Hoe dankbaar je ook bent voor elke dag, elk uur sinds toen. Het ritueel is niet zo slecht, denk je. Misschien wel vooral opdat het nooit vanzelfsprekend wordt. Dat je al die dagen en al die uren hebt gekregen, terwijl zoveel anderen dat geschenk nooit kregen.


Het is die tijd van het jaar. Het is goed. Het komt langs, en gaat weer.

Je kijkt naar een film. Iets tussen een komedie en een drama. Over een man met een zeldzame vorm van kanker, in zijn ruggenmerg. Zo’n mooie film. Ergens tijdens de film is het alsof je ineens iets ziet, iets begrijpt. Het schokt je een beetje. Iets over blijven. Het doet je terugdenken aan enkele jaren geleden, toen je ook, ineens, iets besefte. Hoe dat ook als een schok kwam. Misschien is het een goed inzicht.

Een mooie wandeling, met een vriendin. Rond de stad. De vraag naar de gezondheid, hoe het is nu. Je probeert eerlijk te vertellen, hoe het is. Eerst en vooral is alles natuurlijk heel erg goed. De ziekte is niet meer teruggekomen, en er is een redelijke kans dat dat ook niet meer zal gebeuren. Eerst en vooral moet je ook nog eens herhalen dat je het veel beter getroffen hebt dan zoveel andere mensen. Eerst en vooral is alles wat je ook maar zou kunnen zeggen geweldig relatief, want eigenlijk heb je misschien wel geen recht van spreken. En dat soort dingen. Tegelijk probeer je (ten tweede) eerlijk te vertellen. Je bent het aan deze tijd van het jaar verplicht. Hoe het werkelijk gaat, in de praktijk, met dat concrete lichaam van jou, nu, na al die jaren. Je kunt weinig doen met het woord ‘klacht’. (Dat kon je dit jaar eindelijk ook eens uitleggen in het ziekenhuis.) Maar als iemand anders jouw buik zou hebben voor een week, zou die waarschijnlijk zeggen dat je veel klachten hebt. Het is een eindeloze discussie in je hoofd. Over wat ‘normaal’ geworden is, en dat je eigenlijk niet weet wat normaal zou kunnen zijn. Alle systeempjes die je bedacht hebt, en die eigenlijk wel redelijk goed werken, meestal toch, maar niet altijd. Hoe gemakkelijk en moeilijk tegelijk het is om dat telkens weer uit te moeten leggen. Hoe het je toch een klein beetje extra onzeker maakte over je lichaam. Hoe het tegelijk gewoon is geworden en hoe je soms niet weet of je de dingen goed inschat. Hoe er dingen zijn die je zou kunnen doen (zoals sommigen je al probeerden duidelijk te maken), en hoe je toch aarzelt, omdat je jezelf niets wilt wijsmaken. De gewone twijfels dus. En die zijn eigenlijk niet zo slecht. Ze zijn gewoon een stuk van wie je geworden bent, sinds die zonsverduistering. Het is wat het is, meer niet.

Je denkt: ik moet dringend nog eens naar de vriendin van de tuin van de zonsverduistering. Om te zeggen dat het goed is dat het al zoveel jaar geleden is.

Wat je onlangs weer meemaakte. Er niet tegen opgewassen zijn. Iemand die je zegt: je ziet er zo moe uit, pas maar op, dat je niet terug ziek wordt, zoals toen. De opmerking ontroert je, toch steeds weer. Je voelt de zorg, en je ziet weer, als in een spiegel, hoe het was toen, hoe je eruit zag. En tegelijk ben je machteloos, is het alsof je door die opmerking iets zou moeten doen. En je weet niet wat.

“We blijven mijnheer Mertens als een hoogrisicopatiënt beschouwen.” Zoiets stond er in het verslag, na de meest recente controle. Soms komt die zin ineens in je hoofd. Heel vaak niet.

Wat je je herinnert ineens. Je dokter die je zegt dat je je eigen vragen niet zo mag minimaliseren. Ze zegt dat je het niet mag doen, de hele tijd zeggen dat wat jij meemaakte zoveel minder erg is dan wat alle anderen meemaakten.

Misschien moet je straks even naar de sterren gaan kijken. Een trage dans doen. Misschien zal er iemand bij je zijn in je hoofd om mee te dansen, dat zul je dan wel merken. Dankbaar voor elke dag, voor elk uur, sinds toen, en tot ooit. Het is goed.