04 december 2016

Een bestemming



Je fietst laat door de nacht. En even daarna (zo voelt het wel) fiets je vroeg door de ochtend. Het is koud. De koude beneemt je de adem als je moet klimmen.

Gedachten. Over op weg zijn. Onderweg. Of toch doen alsof.

Af en toe denk je dat je er al bent. Dan blijkt er weer een volgende helling te zijn, en nog een, en nog een.

Stel je voor dat er een bestemming zou zijn.

Aankomen in de verhalen. Daar waar ze verteld worden. Met de tijd die nodig is. Vertel eens een verhaal. Je zou het kunnen vragen. Vertel nog eens een verhaal.

Daar waar je kunt schuilen. Waar de wind je niet kan raken. Waar het onweer op een afstand blijft. Waar er geen monsters zijn die ’s nachts door de gangen sluipen.

En de brieven die je zou schrijven. In je hoofd kun je ze zien, de brieven. Geduldig schrijf je, regel na regel. Je zou daar zitten, aan de tafel. Je zou je rug niet voelen, je hand niet voelen. Je zou alleen kijken naar de woorden. Hoe ze hun ritme volgen. En hoe je de brieven daarna netjes weg zou brengen naar de brievenbus. Uit handen geven.

En de pijn die zo maar van je af zou glijden. Als water. Iemand zou je uit kunnen kleden, je aanraken, en zeggen dat de pijn weg is. En het zou goed zijn.

Waar je naar de kinderen kunt kijken. En zien hoe ze groot worden, en nog groter. Af en toe zul je proberen hen in de war te brengen. Je zult iets zeggen, en ze zullen je een beetje argwanend aankijken. Misschien even kijken naar hun mama. Maar je zult met overtuiging volhouden dat alles wat je zegt helemaal waar is. En jaren later zullen ze je eraan herinneren, en zeggen dat het toen toch niet waar was. En dan zul je het ook toegeven. Misschien.

Daar waar je je neer kunt leggen, en zeggen dat je je best gedaan hebt.

De anderen. Je houdt van hen. Je kunt het zeggen, dat het goed is te blijven. Daar. En dat ze niet zouden weggaan. Of alleszins altijd zouden terugkomen.

Misschien ook wel de beweging zelf. Als je ooit zo ver zou komen.

Je stem die nauwkeurig alle woorden uitspreekt. Zonder een aarzeling. Tot ze klinken. Tot de woorden hun bestemming vinden.

En de noten op de piano. Of de gitaar. Het maakt niet uit. Dat je speelt wat het verlangen in je hoofd hoort.

En iets met warm water. En iemand naast je.

En kijken. Eindeloos kijken.

De moeilijkste misschien. Dat je niet meer hoeft te vluchten.

De boeken waarschijnlijk ook wel. Stapels, die je voorzichtig kunt aanraken. Die je in een steeds andere volgorde kunt leggen.

Die ene droom natuurlijk ook.

Daar waar de vrede is. En waar je vrede hebt.

Het elders dat altijd al hier was.

En de verhalen van wie vroeger was. De verhalen van wie niet meer in je leven, in dit leven is. Dat je het zomaar zou kunnen vragen, om nog eens te vertellen. Wil je dat nog eens vertellen? Hoe zat dat eigenlijk? Waar had je dat ding eigenlijk gelegd? Want we hebben het nooit teruggevonden.

Daar waar en wanneer het niet meer uitmaakt of het leven kantelt in de dood.

En dan de zee. De terugkeer.

02 december 2016

Herinneringsranden

Wel een beetje koud, denk je, bij het begin van de week.

Stukken van je lijf die kraken. En zo.

Dat kaartje is weg. Zou de wereld nu instorten? (Waarom eigenlijk?)

Die merkwaardige kleuren op de gevel door die verlichting. Tijdens de vergadering zijn ze aanwezig. Jij bent een beetje afwezig, in momenten. Een berichtje over, ook, Klara. Aanwezig.

Verhalen zijn dichtbij. Waren niet weg, eigenlijk.

Alsof je naast je herinneringen staat, en kijkt. Ze zijn scherp. En toch.

Jezelf in een hoopje draaien in bed, en zo de warmte voelen uitbreiden.

Een ingewikkelde droom. Dit keer ben je niet je schoenen kwijt, maar wel je treinticket. Naarmate je het probleem probeert op te lossen, geraak je steeds verder van huis, of zoiets.

Die dag ben je thuis.

Op zoek naar een nieuw vuilnisbakje. Je weet niet hoe oud het vorige was. Heel oud, dat wel. En toch een beetje triestig. Dingen die verslijten, niet jouw ding, eigenlijk.

Die middag op bezoek. De verhalen. En, vraagt ze. Je voelde het al aankomen. Dat ze best kwaad mag worden, zeg je. Je kijkt naar de verhalen. (Iets maakt je droevig.)

Zomaar midden op de dag in je leeszetel, naast de verwarming, met ook nog een dekentje. Alsof het zomaar zou mogen.

Herinneringen waden in en uit. Je kijkt naar je handen.

(Het is wel belangrijk dat het kaartje op de juiste dag aankomt.)

Een ingewikkeld verhaal tijdens de vergadering ’s avonds. Sommige dingen begin je toch al te begrijpen. (Misschien ben je niet helemaal dom. En zo.)

De volgende ochtend. Op de tafel. De stevige handen op je rug. (Het zou lang mogen duren, denk je. Je mag dat niet denken, denk je. Dus denk je het maar.)

De vergadering van de volgende dag voorbereiden. Kijken naar een tabel.

Weer thuiskomen, en denken aan een stem.

En ja. De verhalen. De randen. Het toekijken, naar de verhalen.

Warm.

De volgende dag. Klaar voor de vergadering met de tabel. Denk je toch.

Je denkt allerlei dingen, tijdens die vergadering. (Ook dat je een feminist bent, onder meer.)

Die avond. Je zit in een debat. De journalist stelt je voor als, samen met hem, de ouderdomsdeken. (Vanaf hier kan het alleen nog bergaf gaan, misschien.) Eigenlijk doe je dat wel graag, denk je, terwijl je daar op dat krukje zit te antwoorden op de vragen.

En het leuke van zo’n debat in een andere stad. Dat je nog zomaar een uur kunt lezen in dat boek. (Het ligt trouwens lekker in de hand, dat boek, je bent al ver genoeg opdat je het al voorzichtig open kunt leggen.)

Eerst nog een berichtje. Anders gaat er iets fout in de kosmos. (Zoals de wereld die instort, of zo.)

Een bijzondere droom. Die eindeloos lang lijkt te duren. Iemand die je kent. Daarna ook nog haar zus. En ook zonder. En dan nog iets met dat tijdschrift. Een glimlach. En het besef dat mensen die je kent er anders uit kunnen zien dan je dacht.

Die ochtend op de markt. Een andere plek. Soms blijft die boodschappentas vol groenten netjes op je fiets staan achteraan, soms schuift die de hele tijd weg. Dit keer is het de schuifvariant.

Een dag met een tabel. (De vorige dag had je zomaar een applaus gekregen, je bent nog steeds een beetje verlegen.)

Soms denk je aan randen.

Je staat moe op het perron te wachten. En je denkt: ik wil alleen maar naar huis. En ook warm. (En misschien een glas wijn.)

Stukjesverlangen. (En eigenlijk te moe zijn. Maar dat is misschien iets voor watjes.)

Een beetje strompelen door de woorden. (Deze dus.)

Nog een kosmoswarmwens.

27 november 2016

Of je de maan zag

‘Het is goed je te horen.’
‘Ja?’
‘Ja. Alleen je stem al.’
‘Dat zal wel.’
‘Heb je de maan gezien, toen?’
‘Natuurlijk.’
‘Ik moest aan je denken toen.’
‘Waarom?’
‘Vorig jaar, rond deze tijd kwamen we terug met de trein. Het was een mooie en bijzondere dag. En later, toen je al weg was, stond ik door het raam naar de maan te kijken. Dat weet ik nog.’
‘En wat dacht je toen?’
‘Ik was bang. En gelukkig. Een beetje toch. Daarom was ik dus bang.’
‘En denk je dat de maan het gezien heeft?’
‘Ik weet het wel zeker.’
‘En zei de maan iets?’
‘De maan zei dat het niet gemakkelijk zou zijn. En dat ik dat waarschijnlijk al wist. Maar ook dat het juist was. En ik vraag me sindsdien af wat juist betekent, in dit verband.’
‘Goede vraag.’
‘Kun jij ze beantwoorden?’
‘Dat is te moeilijk. Lijkt me een wegloopvraag.’
‘In elk geval, ik moest er weer aan denken met die laatste maan. En ik vroeg me af of jij op dat moment ook naar de maan aan het kijken was.’
‘Waarom belde je dan niet?’
‘Ik weet het niet. Soms ben ik bang van jou.’
‘Van mij?’
‘Ja. Al kan ik niet goed uitleggen waarom. Misschien denk ik altijd dat ik ongelegen kom.’
‘Heb je dat alleen bij mij?’
‘Nee, eigenlijk niet.’
‘Ik zou het niet erg gevonden hebben die avond. Het is gemakkelijker als jij belt.’
‘Ja, dat zal wel.’
‘Er zijn zoveel dingen die ik niet zeg. Ze blijven door mijn hoofd gaan, en ik hoop dat ze weg zullen gaan. Jij zegt veel meer. Soms hoop ik dat ook.’
‘Is dat niet een beetje flauw eigenlijk.’
‘Ja, natuurlijk. Zo ben ik. Heb je dat nog altijd niet door?’
‘Misschien heb ik alles wel door.’
‘Ongetwijfeld.’
‘Heb je ook de top 100 van de klassieke muziek gevolgd?’
‘Weer in stukjes, in de auto, en tussen de bezoekjes door.’
‘Ben je dat soms niet beu? Dat heen en weer rennen?’
‘Te moeilijke vraag. Nee, dus.’
‘Heb je mijn boodschap aan de maan gehoord toen?’
‘Ik weet het niet. Ik weet niet of het de jouwe was die ik hoorde.’
‘Waarschijnlijk wel.’
‘Ging het over dat grote huis? Met al die ramen?’
‘Ja.’
‘Het is wel geheimzinnig.’
‘Als er ramen genoeg zijn, waar zouden we ons dan zorgen over maken?’
‘Helpt dat tegen bang zijn?’
‘Laten we dat hopen.’
‘Ik heb het koud. Jij ook?’
‘Nee, het gaat. Met het dekentje.’
‘Ik wou dat ik het warm had.’
‘Ik ook. Ik wou dat jij het warm had.’

24 november 2016

Ontkreuken

Verlangen naar soepelheid. Ook wel: een slappe vod. Of nog anders: een lijf dat niet in een kramp zit en zich glooiend neer kan leggen als een tedere oceaan.

Verlangen naar. Een gedicht zijn. En aan die woorden genoeg hebben.

Verlangen naar. Naar wat eigenlijk?

Een ingewikkeld woord. (Of had je dat eerder al gezegd? Ongetwijfeld.)

Verlangen naar. Een bericht in een fles.

Of. Iets lekkers in je schoen.

Verlangen naar. Blijven liggen in die zetel. En al die nog resterende afleveringen van die spannende (!) reeks na elkaar uitkijken.

Verlangen naar leegte. Zo ergens in de nacht, en niet die nog opgespaarde dingen.

En ook nog wel chocolade natuurlijk.

(En hoe zit het dan met die fles champagne die jullie nog moeten opdrinken? Om het maar even in de groep te werpen.)

Verlangen naar. Het stukjesschrijvenmoment. Het is niet goed voor de algehele wereldvrede, en je eigen peace of mind natuurlijk ook, als je te lang geen stukjes kunt schrijven. Je moet de woorden in je handen voelen. Je moet af en toe op die plek kunnen zijn, waar de woorden zijn, en waar jij wilt zijn.

Verlangen naar alleen zijn. Soms. Gewoon een beetje ronddwalen in het huis. Niet denken dat je nog iets zou moeten doen. Gewoon een hangoudere zijn in je eigen huis.

Verlangen naar. Een bestemming. En ook uitleggen waar die is.

En ook mooie beelden, met mooie mensen, en mooie kleuren, en mooie woorden, en mooie muziek erbij ook nog. En zelfs mooie geuren. Mooi, dus.

Verlangen naar. De dingen terug op hun plaats krijgen. De rituelen van de dag. Ankerpunten.

Verlangen naar. Een brief die je zou schrijven en die alles zou zeggen.

En ook muziek natuurlijk. Hoe je jezelf uit handen geeft, van het ene naar het andere muziekje. Het maakt je een beetje verlegen. En er is nog zoveel over, zo eindeloos veel over.

Verlangen naar. Kijken naar handen. En zelfs met je ogen dicht weten hoe ze eruit zien.

Of je eigen stem. Die traag en diep gaat neerliggen, ergens in jezelf.

En dat boek natuurlijk. Dat boek dat daar zomaar ligt. Geduldig. En al weet je al dat dat boek je uit elkaar zal scheuren. Je weet het al. Of je het ook in een hoek van de kamer zult gooien, zoals zij deed, dat is nog niet geheel zeker. (Daarvoor ben je net iets te gecontroleerd, misschien wel.)

Verlangen naar. Verlangen.

Of naar het gevoel dat je de dingen ziet. Begrijpt.

Naar een zachtheid. Dat je zo gewoon naast anderen kunt zitten, en dat alles goed is.

Soms ook naar grootse dingen. Zo groot dat ze je doen duizelen. Dromen.

Verlangen naar. Een adem die gelijk loopt met een andere. En dat dat het enige geluid is. (Een mens moet eens wild doen, af en toe.)

Gedachten die door de kosmos worden doorgegeven aan de bestemmeling. De kosmos luistert mee.

Herinneringen aan momenten, in een andere stad. Ze komen dichterbij.

Verlangen naar. Falende woorden, in trage gesprekken, die alle tijd hebben die nodig is.

En al die andere dingen natuurlijk ook. (Sommige niet voor publicatie, waarschijnlijk.)

20 november 2016

Er is ook nog een windje

Bach zou een goed idee zijn, denk je regelmatig in de loop van de week. Alsof er iets moet geheeld worden. Alsof we verloren gelopen zijn, ergens. Alsof we missen. Alsof we weer thuis willen komen.

Het ene moment heel snel werken. Razen door de woorden, die in een geut bij je binnenkomen, die je allemaal voor je ziet, die je onmiddellijk kunt kiezen, in elkaar puzzelen, in de juiste balans zetten, een klein beetje naar hier of naar daar kunt schuiven. Het andere moment voelen hoe de woorden stokken, hoe je niet meteen voorbij een verwarring komt, daar waar je in het modderachtig terrein van je hoofd komt.

Een gesprek met een dierbare vriend. Hij ziet alles, weet alles, zegt het allemaal, zij het voorzichtig. En dan ligt het daar allemaal recht voor je. Al die gedachten en woorden. Hij heeft gelijk, in alles, zoals steeds. Nadien ben je moe.

Je doet je best om iets goed uit te leggen, of om zelf te begrijpen wat je zou willen kunnen uitleggen, of om zelf goed te zien wat je zou willen begrijpen om het te kunnen uitleggen. Het lukt niet echt. Je voelt jezelf falen. Wat ook een deel van de menselijke conditie is natuurlijk. Het maakt je een beetje verdrietig.

Misschien zou je iets aan jezelf willen kunnen veranderen. Misschien niet.

De vergadering. Je ziet de woorden die de mensen zeggen. Je ziet waar ze naartoe gaan, hoe ze zich neerleggen naast elkaar, en over elkaar, en door elkaar. In je hoofd zie je een tekst die netjes een ordelijk rustpunt brengt in het kluwen. Raar, hoe je daar steeds in blijft geloven. En je ziet de tekst ergens in je hoofd, ook al moet die nog gemaakt worden. Netjes, met mooie letters. Ingedikt ook wel, maar er gaat een rust van uit. Als een plek.

Zou je dat kunnen zijn? Een plek die rust kan zijn voor een ander? En ben je dan zelf een tekst? Of toch gewoon blubber? (Of een boom natuurlijk…)

Het uur dat normaal van jou alleen is. Eten maken. De vaste rituelen. (En ja, soms de vaste recepten voor die dag.) De dingen in hun volgorde. De afwas. Alles weer een beetje netjes maken, alsof het klopt. En net dan is er nog een extra afspraak. Ze is interessant en nuttig. Maar zoveel uur later, midden in de nacht, moet je nog iets inhalen.

Tijdens een gesprek. Je concentreert je heel erg. Probeert de rol te zijn die op dat moment de jouwe is. Nauwkeurig. Naar het einde van het gesprek verschuiven de rollen een beetje, duwt iets je in een wat andere plek. Je vindt het niet gemakkelijk.

Een dag om wat in te halen. En ook een suboptimale buikdag. (Zoals je had verwacht.) Je vertrekt dus al maar wat eerder die avond van die speciale samenkomst. En je neemt je buik mee op weg naar huis.

Toestand. Maar je denkt eraan dat je je mooie jasje aan moet trekken als de televisiecamera in je woonkamer staat. De mevrouw naast de camera zegt – naast andere dingen – ook dat er veel groen is in je huis en dat het boek dat je aan het lezen bent heel goed is.

En die avond ook nog een late vergadering. En een nacht in vele etappes.

Nog een beetje rammelend in de ochtend. De dag trekt zich op gang.

Het vaste ritueel in de winkel. Je vraagt aan de mevrouw om ongeveer een halve kilo kaas. Waarna zij altijd op een blokje van 600 gram uitkomt. De schatting wordt dit keer in cocreatie uitgevoerd, en jullie eindigen op 506 gram. Het komt nog goed met de wereld, ongetwijfeld.

Straatactie. Iets in je hoofd is zacht. Een beetje onverwacht misschien. Of begin je iets te leren?

Je zit aan de tafel voor het panelgesprek. (Met ook het jasje.) Je doet je best om het interessant te maken. Iemand die je dierbaar is zegt je later dat je soms echt wel te ernstig kijkt. (Hoe komt het dat je dat nog nooit eerder hebt gehoord? Of bijna nooit? Of vaak?)

(Nadien, op weg naar huis. Iets als: wat je een leven geleden soms heel stiekem hoopte, dat het ooit zou komen, ooit als je heel oud zou zijn, iets een heel klein beetje, dat dat er al een heel heel klein beetje was, af en toe, sommige momenten. Niet alles is falen.)

En tussendoor denken aan Bach. En missen.

Later die avond. Ontheemd. En je zou willen. Het blijft in de modder voor de woorden. Je kijkt naar je handen. En je denkt aan iets. Even verloren. En je doet het toch maar.

Een mooie stem.

Met zachte tranen geef je je aan de nacht. Je bent weer thuis.

14 november 2016

The Schooldays of Jesus


Waar gaat dit boek eigenlijk over? Goede vraag. Waar gaat dit boek naartoe? Betere vraag. Het boek is onderweg. Misschien is het het verhaal van een bijzonder jongetje dat groot wordt. Of misschien was het dat altijd al, en moet het wachten tot het als groot wordt gezien. Misschien is het het verhaal van een volwassen man, een soort zelfgekozen vader, die groot wordt. Misschien kun je gewoon naar het verhaal kijken, en dan kom je terecht in een merkwaardig, bijna kaal landschap. Met personages die een beetje om hun eigen as tollen, elkaar niet echt bereiken. Met situaties die vaak lichtjes absurd en grappig zijn. Of misschien kun je zien hoe dit verhaal beweegt in een netwerk van filosofische vragen en literaire en Bijbelse verwijzingen, in eindeloze spiegelingen die je toch ontsnappen. Het landschap dat dit boek is, voelt aan als een beetje kaaltjes. Het tocht op veel plaatsen. Maar je kunt wel overal blijven staan om te kijken wat er gebeurt. En je ziet mensen en plekken die daar geworpen zijn, hun geschiedenissen zie je niet meteen. Het boek voelt uiteindelijk meer aan als een tocht dan als een verhaal over een tocht.

Het boek is The Schooldays of Jesus (vertaald als De schooljaren van Jezus). Het is het vervolg op The Childhood of Jesus, dat je best wel moet gelezen hebben om dit boek te kunnen volgen. En het valt te verwachten dat er nog minstens een derde boek komt.

In het vorige boek kwamen een man, Símon, en een jongen, Davíd, aan in een vreemd land. Símon ontfermt zich over Davíd. Hij zoekt ook een vrouw die volgens hem de moeder zou kunnen zijn van de jongen, en dat is Inés. De man en de jongen waren over het water gekomen, hun herinneringen achterlatend. Ze worden een merkwaardig soort uit het niets samengesteld gezin, een beetje zoals Jozef en Maria en Jezus dat waren. De kleine jongen was een beetje raar. Mogelijk te omschrijven als: verwend, mogelijk een beetje autistisch, hoogbegaafd, dwingend, betweter, onaangepast, dromer, … In elk geval, in het stadje waar ze woonden, klikte het niet echt met de jongen en het schoolsysteem. Ze vluchten weg, en komen terecht in Estrella. Ze vluchten weg van een stad met allerlei voorzieningen, een systeem van georganiseerde barmhartigheid. In de nieuwe stad zijn ze in zekere zin illegaal. En met de aangekondigde volkstelling moeten ze proberen om onder de radar te blijven.

Ze zoeken een plek. Ze krijgen hulp van drie zusters, persoonlijke barmhartigheid. Ze moeten beslissingen nemen over de school van de jongen. Hij wil niet in een gewone school, hij zegt dat hij alles al kan. Inés wil wel dat hij alles leert. Símon probeert een soort middenweg te zoeken, vanuit een vorm van rationaliteit of nuchterheid. Hij probeert het goede te doen, maar voelt zich ook wat machteloos tegenover de jongen en in een aantal opzichten ondergeschikt aan Inés, als het over opvoeding gaat.

De jongen komt terecht in een speciale academie van de dans. Het koppel dat de academie leidt, houdt er een heel eigen pedagogische opvatting op na. Ze geloven niet in het klassieke leren, via woorden en rekensommen. Via het lichamelijke, via de dans, kun je op het spoor komen van waarheden, van diepe herinneringen. Een dans zou ook een veruitwendiging zijn van een kosmisch getal. Símon en Inés vinden het maar niets, maar de jongen voelt zich er blijkbaar helemaal thuis. Hij wordt minder onhandelbaar.

De hele tijd blijft de jongen wel vragen stellen, eindeloos veel vragen. Símon heeft van zichzelf het gevoel dat hij de jongen niet echt kan begrijpen. Hij aanvaardt de dingen zoals ze zich voordoen, ook de scheiding van Inés, hoewel ze niet echt een koppel waren natuurlijk. Maar eigenlijk vormen de man en de jongen toch de spil van het verhaal. Símon staat voor een soort rationaliteit en nuchterheid. De gesprekken met de jongen verlopen vaak erg hoekig. De jongen geeft de indruk al heel veel te weten (maar waar heeft hij dat alles geleerd?). Tegelijk is het ook een jongen, die veel dingen nog niet begrijpt en zich soms vooral laat leiden door de letterlijke betekenis van woorden. Hij heeft een obsessie voor het idee van het terug uit de dood halen van wezens.

Een centraal motief is dat van de passie. Voortgedreven worden door passie, door sterke emoties. Een lichamelijke manier om wijsheid aan te raken. Het staat tegenover het meer rationele, het morele, het ‘dat wat hoort’.

In het stadje waar nooit iets gebeurde, vindt dan een passionele misdaad plaats. De man die de moord pleegde wil zelf op een ultieme manier boete doen voor zijn daad. De rechtbank wil nog allerlei overwegingen een kans geven, maar dat wil de man niet. Het hele verhaal door, ook na het vonnis, is die man, Dmitri, als een soort kwelgeest voor Símon. Hij confronteert hem met allerlei uitdagende vragen. In al zijn aardsheid is die man een soort leermeester voor de jonge Davíd.

Símon, de man die vanuit het hoofd leeft, het goede probeert te doen, maar zich machteloos voelt tegenover de jongen die hij absoluut ook wil beschermen en veilig groot wil laten worden, lijkt te merken dat hij vastgelopen is in zichzelf. In het slotdeel van het boek kiest hij voor een soort catharsis, waarin hij de wereld van het meetbare lijkt te verwerpen en de waarheid van de dans opzoekt.

Je zou eindeloos veel kunnen vertellen over alle lijnen die samenkomen in dit boek. Allerlei verwijzingen naar filosofie en literatuur, en natuurlijk ook naar het verhaal van Jezus. Spelletjes met namen. Als je stukken gaat herlezen, merk je hoe ingenieus het allemaal in elkaar zit. Maar dat kluwen is toch meer een bedding dan een scherm dat tussen jou als lezer en het verhaal gaat staan. Als je probeert het boek als één grote allegorie te begrijpen, loop je verloren. Het is nooit eenduidig. Als je alleen maar wilt begrijpen, ga je een beetje verkrampt lezen. En eigenlijk is het veel boeiender om je gewoon mee te laten drijven met het boek. Het proza van Coetzee heeft de reputatie om bijna schraal te zijn. Een wellustige stroom van woorden, met ornamenten en reeksen beelden, zul je niet vinden. Maar als je in het universum van dit boek stapt, kun je toch niet ophouden met lezen. Heel vaak is het – zij het op onderkoelde of licht absurde wijze – erg grappig. En hoewel je regelmatig merkt dat er een verwijzing is naar iets buiten het boek, verhindert je dat helemaal niet om te voelen hoe de personages bijna als eilanden, die zichzelf niet kunnen kennen, niet meer weten waar hun herinneringen zijn, bewegen in een al even ongrijpbare wereld.

The Schooldays of Jesus is een fascinerend boek. Net als bij het vorige besef je pas na een tijd hoezeer het onder je huid is gekropen. Hoewel het verhaal zich afspeelt in wat een schrale wereld lijkt, ontdaan van elk overtollig element, is het alsof je toch heel erg veel dingen in je hoofd begint te zien. Het boek voelt aan als een tocht, als een verhulde worsteling met existentiële vragen. Het klinkt misschien onnozel, maar je hebt geen idee waar de schrijver Coetzee eigenlijk is. Het zou een man kunnen zijn die ook ergens in Estrella rondloopt, schichtig. Nergens heb je het gevoel dat hij als een soort instantie ergens buiten het boek ‘iets’ wil uitleggen of laten zien, integendeel. Soms doet zijn onzichtbaarheid bijna een beetje pijn. Maar dat wat ontheemd gevoel hoort dan weer net heel erg bij zijn boeken.

Maar, dus, ten slotte: waar gaat dit boek eigenlijk over? Goede vraag.

13 november 2016

Wachten op het boek


Het boek is uit. Je hebt het geweldig graag gelezen. En het laat je in verwarring achter. Wat heb je eigenlijk gelezen? Het moet nog inzinken, of zo. Ergens naartoe, naar een of andere laag in jezelf. Voor je er iets over zou kunnen schrijven. Je leest enkele andere besprekingen, als om enkele deuren in je hoofd open te zetten. Het duizelt een beetje. Je zult moeten wachten. Tot je iets ziet in je hoofd, voor je er iets over kunt schrijven.

Misschien is het ook wel met andere dingen zo?

Dat je pas na een tijd een klein beetje weet wat iets betekent, of wat iets betekent voor jou. En dan nog.

Met zo’n stukje komt het inzicht soms pas tijdens het schrijven. Of hoogstens het vermoeden van een inzicht.

Zo is het ook met andere dingen. Dat je soms pas enigszins ziet wat er in je hoofd is door het vertellen.

Dat is merkwaardig, en mooi.

Prewoordelijke inzichten. Moeras. Waaruit prewoordelijke inzichten zouden kunnen komen. Nog ronddolend.

En dan, door ze uit handen te geven aan woorden, lijken ze een beetje op te lichten.

Waren ze er dan nog niet? Of wachtten ze gewoon?

Wachten klinkt beter.

Stel dat iemand je vraagt waarom je iemand graag ziet.

Is het er dan al? Maar enkel nog niet verwoord? Of is het er nog niet, zo lang het nog niet voorbij de woordgrens is? Of verdwijnt het zelfs, in het woord?

(Je dacht het nog, eerder die dag. Kijken in je hoofd naar iets wat daar is. Duidelijk aanwezig, maar misschien nog in de moerasfase. Of de cactusfase, al naargelang. Eventueel zelfs de fase van het zwarte gat. Kijken in je hoofd, en dat alles zien. En dan tegen jezelf zeggen dat je er woorden voor zou moeten zoeken. Wat nog verspreid en amorf is, zou dan in een rijtje komen te staan, in een volgorde, als in een soort verhaal, uiteindelijk. En daarbij beseffen dat het uitspreken van die woorden het opnieuw zou veranderen. Dat je tijdens het uitspreken, tijdens het horen van de woorden die je uitspreekt, beseft hoe ze klinken, en voelt of ze benaderen wat nog niet benoemd werd. En soms, tijdens het uitspreken, besef je dat je jezelf iets wilde doen geloven, dat je zelf iets niet wilde zien. Alsof de woorden zwaartekracht nodig hebben om te weten of ze overeind blijven of niet.)

Hoe dat zit met de liefde?

Nog moeilijker dan iets zeggen over een boek.

Toch merkwaardig dat er ook iets lijkt te bestaan als een interne zwaartekracht. Je leest een boek. Er is een onmiddellijke sensatie, tijdens het lezen. Je kunt het gevoel hebben dat je het nog niet ziet, vermoedend dat er veel te zien zou moeten zijn. En dat je pas later beseft dat de woorden, de zinnen, de beelden uit dat boek langzaam door je hoofd naar binnen moeten sijpelen. Dat ze nog verder werken, dat ze nog met elkaar aan de slag gaan, elkaar opzoeken.

Sommige woorden hebben de neiging van elkaar weg te lopen. Ze duwen elkaar weg. Terwijl ze eigenlijk bij elkaar horen, elkaar op willen zoeken, maar dat alleen niet aan zichzelf willen toegeven.

Wachten dus.

Misschien komt het dan wel.

Misschien ook niet.