19 april 2018

Gelukverdriet

Een rare dag was het, gisteren.

Het zou na al die jaren een routine moeten zijn. (Volgend jaar is het twintig jaar geleden, besef je.)

’s Morgens vroeg met de fiets de berg op. Naar dat immense gebouw dat elke dag groter lijkt te worden.

Twee weken eerder was je er nog. Je lag er op die tafel. Ze keken in je. Ze haalden die kleine dingetjes weg, die er weer bleken te zijn.

Hoe je tegen jezelf praat in je hoofd. Dat het dus eigenlijk goed nieuws is dat ze die poliepen weggenomen hebben, omdat ze dus weg zijn. Dat ze, als ze zouden blijven zitten, misschien van het slechte soort zouden kunnen worden. Maar dat het dus eigenlijk goed nieuws is, omdat ze weg zijn. Om een of andere reden kun je jezelf niet overtuigen.

Ergens in je lichaam zit waarschijnlijk iets, een of ander geheime code, die maakt dat toen, bijna twintig jaar geleden, gebeurde wat gebeurde. De ziekte is uit je lichaam verdwenen. Je leeft nog steeds. Maar die code wandelt nog ergens rond, zo voelt het. Ergens onder je huid. Als jij braaf bent, zal er waarschijnlijk niets gebeuren. Maar je weet sinds vorig jaar dat je een “hoogrisicopatiënt” bent, nog steeds. Misschien is het een duister woud, aan die kant van je huid. Misschien is het een lege vlakte.

Je fietst naar boven. Eerst aanmelden, dan nog enkele onderzoeken, en dan de uitslagen van twee weken geleden. Je zegt tegen jezelf dat je ervan uitgaat dat alles goed zal zijn. Tegelijk vraag je je af hoe ze het dit keer zullen doen, je weer in de war brengen en verdrietig maken.

De mevrouw in de hal is vriendelijk. Je krijgt al meteen een volgnummer voor de consultatie die pas binnen ruim een uur zal volgen. De mevrouw die je longfoto maakt is vriendelijk. De twee mannen die de echo van je buik maken zijn vriendelijk. (En ja, er blijkt nadien toch weer zo’n klodder gel overgebleven te zijn.)

Je gaat naar boven, naar de wachtzaal. De wachtgang. Je ziet waarom je dat volgnummer kreeg. Ook hier zijn de procedures geoptimaliseerd. De meneren en mevrouwen dokters moeten niet meer hun deur openen en je naam roepen door de gang. Er zijn schermen waarop je nummer verschijnt, met een foto van jezelf. En dan moet je naar de juiste “box” gaan.

Alles zit exact op schema. Het scherm zegt dat je naar box 4 moet gaan.

Eens je binnen zit, voel je dat ze er weer in zullen slagen… De assistente spreekt tegen haar scherm. Ze stelt je al die vragen die je al honderd keer beantwoordde al die vorige jaren. Je voelt jezelf uit elkaar vallen, in een aantal “klachten” en in onderdelen die niets met jou te maken hebben, ze staan los van je verhaal. (Je doet iets fout, denk je. Je schuift weg uit jezelf, voel je. Je kijkt naar je onderdelen.) De professor komt iets later. Hij vertelt over die dingen die ze uit je lijf haalden. En wat dat betekent. (Je voelt het verdriet komen, en je begrijpt het niet.)

(Het is raar, toen die twee mannen, twee weken geleden met een camera in je buik gingen kijken en die dingen eruit haalden, voelde je je dichter bij jezelf en bij het verhaal dat die ziekte in jou geworden is dan nu, terwijl je in die box zit te praten over wat er toen gebeurde. Half verdoofd sprak je met hen, ze stelden je gerust, maakten grapjes, jij maakte grapjes, je vroeg dat ze je zouden laten zien wat er nu in je buik is. Het was jouw lichaam, zo voelde het toch wel meer. En na het gesprek in de box, zijn het de twee verpleegsters in een ander box, die bloed trekken, die je toch weer het gevoel geven dat je op een goede plek bent.)

Je loopt het ziekenhuis uit, en je bent verdrietig. (Het verdriet zal de hele dag blijven.) Het heeft iets met je huid te maken, denk je. Als iemand je nu bovenhuids traag zou aanraken, zou het misschien overgaan. Je begrijpt het nog niet. Je denkt aan het woord vervreemding.

Je blijft tegen jezelf zeggen dat je net goed nieuws gehoord hebt (wat ook zo is). Je herhaalt het. Zo ben je ook klaar om het aan anderen te zeggen, als iemand iets zou vragen.

Pas veel later komen de beelden in je hoofd, begin je het te begrijpen. Toen, door de ziekte, was het alsof je lichaam onteigend was. Er was een ziekte, die van binnenuit, vanuit je lichaam zelf je lichaam aanviel. Dat was al moeilijk te vatten. Het vertrouwen in je lichaam (tot dan misschien alleen onbewust) dreef weg. Je was in dat ziekenhuis. Men voerde tests uit. Men maakte een mal waarop je moest gaan liggen om de bestraling goed te kunnen richten. De stralen kwamen. Men spoot vergif in je lichaam. Men sneed een stuk uit je lichaam, maakte een gat en hing er een zakje aan. Men zette je zaad in een diepvries. Men kwam kijken naar je litteken. Het was alsof je twee lichamen had. Er was het lichaam waarmee men al die dingen aan het doen was. Dat lichaam had zich losgemaakt van het andere. Dat andere zou iemand teder hebben kunnen aanraken, en je zou het kunnen voelen, je zou op een plek zijn waar je wilde zijn. De verpleegsters in het ziekenhuis konden soms een voorzichtige brug maken tussen die twee. Zoals die ene, wat oudere, verpleegster die kwam vragen of ze jou die avond als laatste mocht doen. Ze vertelde dat ze graag haar tijd nam, om rustig en zorgzaam te werken. (Je kunt haar nog steeds zien in je hoofd, voelen hoe ze je voorzichtig verzorgde.) En ze wou graag dat jij haar laatste was voor die avond.

Die twee lichamen moesten terug samen komen, ooit. Misschien. (Om allerlei redenen, vervreemding op vervreemding. Te veel verhalen die elkaar raakten, weet je nu.)

Misschien was het dat, denk je later. Hoe ze spreken, hoe ze de vragen stellen, hoe ze hun bevindingen telkens in net andere woorden formuleren dan de vorige jaren. Hoe je zo weer uit elkaar valt, in lichamen. (Hoe je het sowieso al moeilijk vindt om samen te vallen, eigenlijk.) Ze bedoelen het goed, ze zijn deel van die groep mensen die ervoor zorgde dat je nog leeft. Ze geven je goed nieuws. Maar ze doen je dolen tussen brokstukken van jezelf. Ze kijken naar de elementen onder je huid, ze zien niet hoe er een verhaal huist in je huid, en hoe ze je langs dat verhaal zo zouden kunnen aanspreken dat je niet uit elkaar valt. (Je overdrijft waarschijnlijk, het is enkel het gevoel, waarvoor je pas uren later woorden hebt.)

Iemand zou je buitenhuid kunnen verbinden met je binnenhuid, en je zo weer thuis brengen. (Dat zijn woorden van later die dag.)

Je fietst naar huis. Je maakt koffie. Eet iets. Je lichaam wordt een heel klein beetje warm vanbinnen.

Op weg naar het werk koop je nog een cadeautje voor jezelf. Zoals elk jaar. Om het leven te vieren. (Je hebt natuurlijk nog altijd goed nieuws gekregen, reden om gelukkig te zijn, dat het leven nog steeds, zomaar, bij je blijft. De sluier van verdriet zal zich wel terugtrekken.) De helderheid van de pianosonates van Haydn. Hun achteloze complexiteit. De soevereine ruimte die ze lijken te creëren. Om een of andere reden passen zij bij je huid.

15 april 2018

Hoe traag mag het

‘Soms tintelt mijn huid, alsof ze iets loslaat, na lang wachten.’
‘Wacht jij ook?’
‘Ja, ik denk het wel.’
‘Zou je je kunnen voorstellen dat ze alles loslaat?’
‘Officieel wel natuurlijk.’
‘Het deed me goed, je te horen praten gisteren. Op een bepaald moment luisterde ik alleen naar je stem, hoorde ik nauwelijks nog wat je zei. Misschien was het het uur van de dag. Of iets anders.’
‘En zag je iets, in het geluid van die stem?’
‘Dat is een goede vraag. Ik denk het wel, en op een of andere manier kan ik het nog zien in mijn hoofd. Maar ik weet niet of ik de drempel van de woorden over kan om je te vertellen wat ik zag.’
‘Misschien is er wel een andere manier.’
‘Misschien.’
‘Die vragen bleven maar door mijn hoofd gaan de voorbije dagen. Hoe weet je of je het goede doet?  Hoe weet je of je de goede plek hebt gekozen om te gaan staan, in het leven? Hoe weet je of je moedig bent geweest op die momenten die ertoe doen?’
‘Waarom is het antwoord op die vragen zo belangrijk voor jou? Ik begrijp helemaal waarom je ze stelt, maar is het echt nodig dat je een definitief antwoord krijgt?’
‘Misschien heb je wel gelijk, en is het niet nodig. Misschien wil ik dat soms iemand die vragen ziet, in mij.’
‘Leggen ze zich ooit neer?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet.’
‘Om het te zien bij jou moet je goed kijken.’
‘Is dat moeilijk?’
‘Nee, eigenlijk niet. Als je jouw code kent, is het niet moeilijk. Je moet alleen goed kijken.’
‘Soms wil ik niets anders dan dat, heel lang kijken. Hopelijk zul je dat niet vervelend vinden.’
‘Als je er soms iets over vertelt.’
‘Dat kan wel geregeld worden.’
‘Een vraag nog. Hoe traag mag ik je aanraken? In het algemeen, dus.’
‘Traag.’
‘Hoe traag?’
‘Tinteltraag.’
‘Ben je bang voor snel?’
‘Ja, maar waarschijnlijk ben ik bang voor traag. Omdat ik me dan niet zomaar kan sluiten.’
‘Toen ik je zag gisteren, zag ik je bewegingen. Soms sta je rustig, geaard, of hoe zeg je dat. Soms zie je dat je pijn hebt. Soms is het alsof je je lichaam moet beschermen, tegen alles wat zou kunnen komen.’
‘Is dat zo? Van binnenuit voel ik niet altijd hoe ik sta. Vaak let ik er wel op, en zie ik ook dat het een verschil maakt. Maar het zijn waarschijnlijk de bewegingen in de momenten tussenin die anders zijn. Als scheuren in mijn huid.’
‘Ja, dat klopt. Misschien zijn het onbewaakte momenten.’
‘Dat is misschien wel het goede woord.’
‘Ik kan mezelf soms helemaal niet zien, als ik sta te praten. Er gaat dan te veel door mijn hoofd, denk ik.’
‘Soms helpt het om te kijken naar de woorden die in je hoofd bewegen, zoals naar je adem in je buik. En als je dan denkt dat de anderen naar je verhaal kijken, en niet naar jou, is het gemakkelijker om jezelf te zien. Ik kan het niet goed uitleggen, maar zo voelt het.’
‘Ik denk dat ik je wel een beetje begrijp.’
‘Heb je het niet te koud?’
‘Nee, net niet. Het is op het randje.’
‘Misschien moeten we verhuizen dan.’
‘Traag.’
‘Bewegen met veel witruimte, dat is het denk ik.’
‘Ik zie het al voor me.’

14 april 2018

Op de akkers van de dood

Een dag.

Het is je tweede rouwdienst in twee dagen.

Veel beelden schuiven door elkaar heen, sinds de vorige dag. Je kijkt rond, naar de mensen. Je kijkt naar de beelden die door je heen bewegen.

Je had het al gezien en gevoeld, de voorbije dagen en weken. Hoe het verlies dat eraan zat te komen sporen naliet in dierbaren. Misschien waren het geen sporen in het zand, nog niet.

Je kijkt rond, naar de mensen. Het is een rustgevende gedachte, enigszins, dat er zoveel verhalen zijn in deze ruimte. Het is alsof je die ziet zweven boven de hoofden. Ze drummen een beetje tegen elkaar aan. Even machteloos misschien als de hoofden daaronder.

Hoe het juist zit weet je niet, maar het is alsof je een afwezigheid zou willen bereiken, zou willen kunnen aanraken. Nadien denk je dat dat misschien via de aarde zou kunnen gaan. Misschien zou er zo een soort verbinding kunnen komen. (Al weet je dus helemaal niet wat die gedachte zou willen zeggen.)

Je ziet hoe een vriend naar voor stapt, met een zwaarte op zijn schouders. Je hoort een leven. Je hoort hoe het zindert. Je hoort de liefde in een vriendschap. En dat wat nu niet meer overbrugd kan worden. Tenzij haperend. Aan deze en gene kant van de grens van het leven. Het is mooi hoe hij daar breekbaar staat, zijn brief voor te lezen.

Je ziet hoe een broer naar voor stapt. De zwaarte zal iets later komen, zo zul je zien.

Je denkt aan iemand die er nu niet bij is, hier. (Misschien wil je er ook voor haar een beetje zijn.)

Je denkt aan meisjes die hun papa verliezen.

Er is een koppige aanwezige afwezigheid.

En je denkt aan wat het betekent om actief te zijn in de wereld. Er zijn plekken waar je kunt staan, de een hier de ander daar. En misschien is alles goed. En je denkt aan wat het betekent om moedig te zijn.

(Het blijft verwarrend hoe verhalen die de jouwe zijn tussen de andere schuiven. Misschien is het onvermijdelijk dat je ook aan jezelf denkt. Misschien is het ook goed dat het kantelende leven van een ander je doet denken aan je eigen tasten.)

Je ziet de foto’s. Je probeert doorheen de foto’s iets te zien van de ziekte die naar dit moment leidde. Het is alsof iets tussen jou en dat zien in komt staan. Ook hier zou je de aarde kunnen gebruiken, om te voelen hoe je van hier naar daar kunt gaan. Je weet dat het zal komen, tussen nu en straks, zoals het altijd komt.

(Je denkt aan je beste vriend. Alsof je hem dicht bij dit leven zou willen houden. Al weet je niet goed wat het betekent. Alsof je het leven wil voelen, misschien is dat het.)

Je weet dat het zal komen, tussen nu en straks, zoals het altijd komt.

De muziek is mooi. Het klopt dat ze hier en daar hapert af en toe. Zoals het leven hier en daar hapert af en toe.

Je vraagt je af of je zelf wild leefde. Het lijkt een onbeleefde gedachte, maar ze komt je bezoeken.

De dienst loopt naar een einde.

En dan klinkt dat ene nummer. Vanaf de eerste akkoorden herken je het meteen. Het is alsof ze een deur openen. Het komt.

Een radeloze kwaadheid golft over je heen. Hoe kwaad je bent, op die kloteziekte.

Je trilt, terwijl je daar staat in de rij, klaar om voorzichtig afscheid te nemen. Je buigt je hoofd.

Je krijgt een kaartje van de meisjes, nu zonder papa. Je durft hen nauwelijks aan te kijken.

Buiten wil je mensen aanraken, of niet, of wel, je weet het niet goed. Die kwaadheid, ze woelt door je heen.

Je probeert iets te zeggen aan mensen die je ook zou willen aanraken. Zij verliezen een beste vriend. Je zou iets willen zeggen dat iets zachter maakt. (En je voelt tegelijk vooral hoe kwaad je bent.) Misschien is het niet zo erg.

(En hoewel je het niet wilt, zie je in je hoofd hoe je zelf tussen controles zit. Vorige week, volgende week, en nog een later. Hoe ze jou in het leven zullen kunnen houden, hopelijk. En hoe onwezenlijk dat ook is. Waarom jij wel? Verwarrende kwaadheid.)

De verhalen kijken zwijgend toe hoe de mensen een beetje tegen elkaar aan drummen.

Misschien kan alleen de aarde de rusteloosheid dragen. In trage sporen. Ze herinneren zich de dingen.

Op weg terug naar huis blijven vragen door je hoofd gaan. Iets over de plek waar je in de wereld staat, en iets over moed. (Die vraag die steeds naar je terugkeert.)

Het wordt nog een mooi gesprek met een dierbare vriendin. Ze begrijpt meteen waarom die vragen door je hoofd gaan, en ze zegt de juiste dingen.

Later die namiddag moet je even gaan liggen, de dingen leggen zich even neer.

Later die avond zit je in een wervelend concert. Je hoort de geweldige zangeres zingen over Revival Day. De muziek zindert, als het leven. De oude Bessie Smith is ook aanwezig. De muziek troost.

08 april 2018

De moord op commendatore

Die eerste zin van de Goddelijke Komedie van Dante. “Op ’t midden van ons levenspad gekomen / kwam ik bij zinnen in een donker woud, / want ik had niet de rechte weg genomen.” Het hoofdpersonage uit de nieuwe roman van de Japanse auteur Haruki Murakami De moord op commendatore (deel 1 en 2) bevindt zich bij het begin van het vertelde ook ergens midden in een leven. Een leven dat een soort vanzelfsprekendheid is geworden, waar de dingen hem leven, waar alles voorspelbaar is. Het donkere woud komt later in het boek. Door een breuk komt de verteller in een periode van chaos terecht. Hij moet zichzelf vinden, door af te dalen in een onderwereld. Na negen maanden komt hij terug uit waar hij begon, al is hij anders geworden. De verteller heeft het over een kloof tussen twee huwelijkslevens. Misschien was het eerste leven onbewust, en is het tweede bewust. De normaliteit van het eerste leven was misschien kleurloos, die van het tweede lijkt meer kleur te hebben.

Wie al eerder een boek van Murakami las, zal zijn unieke universum al snel herkennen. Bij het einde van het boek, na meer dan duizend bladzijden, twijfel je een beetje. Als je je vooral richt op de klassieke bestanddelen die in zowat al zijn boeken terugkomen, is er soms iets van een zekere vermoeidheid. Het klikt niet allemaal perfect in elkaar, zo lijkt het soms. Tegelijk corrigeer je dat gevoel dan ook weer. Er zijn nieuwe werelden toegevoegd aan zijn universum. In dit boek is dat de schilderkunst. En je kunt als lezer ook niet anders dan vaststellen dat je steeds gulziger bent gaan lezen, ook nu weer, eens het verhaal goed en wel is vertrokken. (Hij doet het weer, die Murakami, besef je na een tijd.) Het eerste deel bouwt alles stap voor stap op. In het tweede deel wordt het heel spannend. Al die spanning gaat naar een bijna onverwacht rustpunt bij het einde van het boek. De hoofdpersonages hebben een gevaarlijke wereld aangeraakt, hebben hun eigen hellevaart gekregen, en kiezen ervoor om verder te gaan. Het besef van het mysterie en het risico is als een geheim dat ze dragen maar dat ze niet willen uitdagen. Die hele omweg was misschien nodig voor de verteller om terug uit te komen bij wat brak bij het begin. Misschien moet je de demonen zien om verder te kunnen met de liefde.

De verteller is een portretschilder. Hij kan het blijkbaar (technisch) heel goed, maar is er met zijn hart niet echt bij. Zijn vrouw deelt hem mee dat ze hem gaat verlaten. Willoos lijkt hij tussen de dingen te staan die hem overkomen. Hij gaat dolen doorheen Japan en komt uiteindelijk terecht in het huis van een vroegere bekende schilder, die dementerend elders verblijft. Hij verblijft daar, past op het huis, en probeert een soort nieuwe positie voor zichzelf te vinden. Hij gaat tekenles geven en leert de grote platencollectie van de oude meester kennen. Een aantal gebeurtenissen trekt langzaam maar zeker een keten van spannende ontwikkelingen op gang. Er is de rijke Menshiki, die aan de andere kant van het dal in zijn grote huis woont en aan hem vraagt om zijn portret te schilderen. Met het tekenen van portretten was hij op een soort dood punt terechtgekomen. Het is alsof hij zichzelf opnieuw moet vinden, misschien voor het eerst. De mysterieuze Menshiki doet echter niets zomaar, alles is een onderdeel van een ruimer plan. De verteller ontdekt op de zolder van het huis een schilderij van de oude meester. Op het schilderij is de moord op Commendatore te zien, wat verwijst naar Don Giovanni van Mozart. Het blijkt een tot dan toe onbekend werk te zijn van de beroemde schilder. De verteller is meteen totaal gefascineerd door het schilderij, dat een diepere boodschap lijkt te bevatten en hem lijkt op te roepen iets te doen. Via het schilderij blijkt er een link te zijn naar de Tweede Wereldoorlog en traumatische gebeurtenissen in de familie van de oude schilder.

En dan beginnen de merkwaardige dingen zich op te stapelen. Er is een mysterieuze bel die telkens ’s nachts op  hetzelfde uur weerklinkt uit een holte in de grond. Het openen van wat gesloten was brengt een zogenaamde ‘idea’ in het verhaal, een wezen dat de vorm heeft van de Commendatore uit het schilderij. Het wordt allemaal stap voor stap opgebouwd. Het andere hoofdpersonage, het jonge meisjes Marie, krijgt een steeds belangrijker rol. Voor de verteller is er een verband met zijn zusje, dat jong stierf. Zijn vrouw die hem verlaten heeft, had voor hem ook al iets dat hem terugbracht bij dat zusje. Een cruciale herinnering die bij dat zusje hoort, is een verhaal over een afdaling in een grot, wat bij haar leidt tot een groter besef of een soort herboren worden. Dat motief komt terug als de opdracht voor de verteller.

De dreiging groeit in het verhaal. De jonge schilder en het meisje komen dicht bij een gevaarlijke wereld waar de dingen wel eens helemaal fout zouden kunnen aflopen. Als in een spiegelbeeld lijkt er een samenhang te zijn tussen de gevaren waarin ze terechtkomen. De verteller zal moeten laten zien dat hij moedig is en bereid om een offer te brengen om het meisje te redden. Het is een tocht die door een donker woud leidt. Misschien heeft hij – door af te dalen in de duisternis – uiteindelijk vooral zichzelf gered. Als schilder had hij in het schildersatelier van de oude meester al een nieuwe en meer authentieke versie van zichzelf gevonden. Na de spannende afdaling in de andere, parallelle, wereld kunnen de verteller en het meisje hun inzichten met elkaar delen. Enkel met elkaar, zo beslissen ze. En zo kunnen ze verder met hun leven.

Zoals gezegd voegt het element van de schilderkunst iets toe aan de wereld van Murakami. Zijn stijl heeft iets magisch. Zijn zinnen lijken op zich vrij nuchter en kaal. Maar eens je weer in dat ritme zit hebben ze een merkwaardige heldere sensualiteit. Dat het vertellende hoofdpersonage een schilder is die op zoek is naar een meer bewuste versie van zichzelf voegt een nieuwe laag toe aan een wereld die je dacht te kennen. De magische kracht die uitgaat van het schilderij uit de titel kun je voelen zinderen. En het geworstel in de zoektocht naar wat een ‘echt’ portret is voel en zie je voor je. Je zou het niet kunnen beschrijven, maar het is alsof je in je hoofd het schilderij kunt zien dat het diepere wezen raakt van de geportretteerde. Je begrijpt ook waarom dat ene cruciale schilderij uit het boek onvoltooid moet blijven. Het heeft allemaal iets te maken met het vinden van kleuren in wat tevoren kleurloos was. Het huwelijk dat na negen maanden weer opgenomen wordt, is dichter bij die kleuren gekomen. Het is alsof dezelfde normaliteit nu bewust gekozen en beleefd is, alsof een liefde nu pas een vervulling kan krijgen.

Hij heeft het weer eens gedaan, Murakami, in De moord op commendatore. Het is misschien niet zijn beste ooit. Je twijfelt soms een beetje, misschien vooral in het eerste deel, als alles zich nog op gang moet trekken. Je ziet de klassieke elementen, maar op een of andere manier is het ook alsof de auteur ze bewuster gebruikt. Maar je ziet ook de kleuren en de diepere en onvatbare lagen die kunnen huizen in een schilderij. En je bent als lezer toch weer eens helemaal (en in het tweede deel soms in een rotvaart) meegezogen in die tegelijk wonderlijke, magische, heldere, melancholische en ook zinnelijke wereld die zo herkenbaar en tegelijk onuitlegbaar is. En dus kijk je toch al weer uit naar een volgend boek van hem.

07 april 2018

Zandbanken

Het is de week van. Iets is in voorbereiding. Het maakt je lichtjes rusteloos.

Een vrije dag. Tijd om door te werken. Alsof je telkens puzzelstukjes kunt toevoegen aan de tekst. Langzaam begint die te groeien, tussen je vingers.

En nog een bezoek aan een jarig meisje. (Weer een basketbal!) Ze wordt zo groot…

Anderen, zoals waarschijnlijk heel wat kleine meisjes en jongens, zouden het wel fijn vinden om enkele dagen alleen maar wit brood te mogen eten en geen groenten te moeten eten. Vaststelling: jij bent geen klein jongetje meer. Wat dit betreft.

Je stukje verschijnt. Iets over kinderen. (De reacties zullen je overweldigen.)

Je staat opleiding te geven. Je gaf die module al zo vaak, maar de antwoorden blijven je verrassen.

Nog wat puzzelwerk met woorden. En bolletjes, tussen de woorden.

Bij de dokter heb je het over het andere onderzoek, dat ook nog moet komen. Het hoort bij de lente, elk jaar weer.

Een andere dag. De opleiding dit keer in het andere gebouw. Je legt de oefening uit. Zij komen naar voor om te vertellen wat ze bedacht hebben. Je ziet een van hen vertellen, en ze ontroert je. Ze is een rots, denk je.

Thuis. De voorbereidingen van de volgende dag kunnen beginnen. Het lijf moet leeg, basically.

Het gaat moeizaam, dit keer.

Ergens in de avond. Een moment als een zandbank in de tijd. Ineens zie je iets. Iets over verwarring, iets over troost die er niet is. Misschien moet je iets loslaten. Misschien is er geen andere weg dan deze.

Je lichaam is koud vanbinnen.

Een rusteloze nacht. (Je ziet veel mensen in je hoofd.)

De zee blijft altijd bij je. Dat hoor je.

Die ochtend heel vroeg, het tweede deel. Weer gaat het een beetje fout.

Het is wat het is.

Je wandelt naar de bushalte. De bus brengt je naar het ziekenhuis. Je wacht in de hal, tot je nummertje verschijnt.

In de wachtzaal. Een man komt je al onmiddellijk roepen. Je mag je klaarmaken, op dat speciale bed gaan liggen. Je spullen onderaan in de witte bak. Wat je ook doet, het bed is veel te kort voor jou.

Het onderzoek gaat beginnen. De twee mannen die het uitvoeren zijn heel vriendelijk. Ze laten je half wakker, ergens in die tussenzone. Je kunt alles zien op het scherm. Je ziet wat ze weghalen. Je vraagt wat ze doen.

Het is weer voorbij. Eigenlijk is het goed nieuws, denk je. Je zult het pas echt weten binnen twee weken.

Die ochtend al had je bedacht wat je zou willen eten zodra je weer thuis zou zijn. Je denkt eraan terwijl je weer in de bus zit.

Het smaakt lichtjes overweldigend.

Het is alsof je lichaam langzaam terugkomt van iets, alsof het zichzelf terug zou kunnen vinden, een beetje. (Voor het afvallen waren de wittebrooddagen ook wel goed, zo was gebleken.)

En die avond knipt iemand je haar. Ze maakt je heel erg gelukkig, zoals altijd. En de limonade smaakt geweldig.

De nacht is rustiger. Iets kan terug gaan liggen.

Die ochtend op de markt. Er liggen zwarte tomaten. Ze zijn een goed idee voor nu.

De mevrouw die je op het werk aan de telefoon krijgt is blijkbaar zo eentalig Frans dat ze zelfs jouw Frans niet verstaat. (Terwijl ze verondersteld wordt even minstens tweetalig te zijn als jij.)

Terug thuis moet je nog even iets wegbrengen. Het is zo’n warmtetwijfeldag geworden. Niet helemaal weten wat je juist aan moet trekken op de fiets. Goed zo.

Een bijzonder fijne ontmoeting die avond. Een boeiend gesprek, met twinkelende ogen. Hoe fijn het is, dat je telkens nieuwe mensen mag leren kennen. Een geschenk.

Eigenlijk ben je doodmoe, maar je zou zo graag lang voor de televisie willen blijven hangen, tot na middernacht als dat enigszins zou kunnen.

Mooiere dromen.

01 april 2018

De grens vertelt je iets

Een dag onderweg, een dag weg.

Gulzig lezen inhalen. Gretig het boek verslinden. Alsof het eindelijk nog eens kan.

Het landschap glijdt voorbij. Het landschap is stil, wil je niet storen.

Het lichaam heeft nog een andere tijd, een na-ijltijd.

Het sluimerende verdriet van een week. Je huid weet het.

Soms is het alsof je staat te kijken naar een trein die voorbij rijdt. En je weet dat dat beter is.

En dat je lichaam dat beseft terwijl je in een trein zit.

Je kijkt ernaar.

Het ritme van de reis heeft je overgenomen.

Dat het landschap daar is, je vertrouwt het. Het boek zuigt je vast.

De moeder en haar twee kleine jongens naast je hebben een discussie over de privatisering van de spoorwegen.

Je kijkt even voor je en komt zo terecht in de opmaakspiegel van de vrouw voor je. Even in de war.

Zou je aanraakbaar zijn?

Bericht van een dierbare vriendin. Ze gaat oma worden. Hoe bijzonder het voor je was, toen zij moeder werd. Het landschap ziet je ontroering. Je bent zo blij voor haar.

De trein lijkt zo snel te rijden, er is nog zoveel boek over. (Gelukkig is er nog een terugreis.)

Buiten is het paasguur.

Je kijkt naar de passie. De mooie stemmen. De muziek die beweegt.

Je probeert iets te zeggen over de dansers en de cello.

De reis terug begint.

Je hebt iets geleerd over het verdriet.

Soms is het alsof je huid het boek leest. Je vraagt je af hoe dat komt.

De overstap. De andere trein, die nog beter leest.

De trein rijdt over het brede water. Deze plek is altijd bijzonder.

Zou je aanraken?

Je hebt iets geleerd over ouder worden.

De windmolens in het landschap.

Het boek lijkt het ook over hemel en hel te hebben.

De trein wacht even, bolt een stukje terug.

Nog een overstap. Je buik wil je iets zeggen.

(Je weet trouwens niet of je veel zin hebt in drie dagen wit brood eten.)

De treinmeneer maakt een grapje.

De trein had ook nog enkele rondjes mogen rijden, tot je boek uit was. Niet dus.

Het is alsof de kasseien anders liggen in de stad.

Je wilt het graag warm hebben.

Je hebt nog iets met je buik te bespreken.

Je hebt iets geleerd over bewegen in de tijd, en weten wanneer de tijd daar is.

31 maart 2018

De hel is er al

In de kranten stond dat er een belangwekkende discussie bezig is. Heeft de paus nu wel of niet gezegd dat de hel niet bestaat? De communicatiedienst van het Vaticaan werd er helemaal tureluurs van. Het was alsof Bart De Wever had gezegd dat de slechte Vlaming niet bestaat. Sommige mensen denken graag in zogenaamde binaire opposities. Als de negatieve variant niet bestaat, bestaat de positieve misschien ook wel niet. Zeker niet als de positieve zijn of haar identiteit construeert als het omgekeerde van de negatieve. Of zoiets. Als de hel niet bestaat, komt de marktwaarde van de hemel in de problemen.

Het is een beetje raar allemaal, want eigenlijk zou de hemel inherent goed moeten zijn, zonder behoefte aan de hel. Als de hemel bestaat, zou je als mens aan het streven naar het goede genoeg moeten hebben. Je zou toch geen behoefte moeten hebben aan een of ander afschrikwekkend voorbeeld, ergens ver weg, om voor het goede te kiezen. Als je alleen maar voor Bart De Wever stemt omdat hij zegt dat zonder die stem het Romeinse Rijk voor de derde keer gaat vallen, dan is dat meer een negatieve of angstkeuze dan een positieve. En zelfs Bart De Wever zal toch uiteindelijk alleen maar willen dat mensen voor hem stemmen omwille van inherente redenen, niet omdat hij zelf bv. eerst de polarisering zou georganiseerd hebben. Ik wil hier vanzelfsprekend helemaal niets insinueren.

Bij uitbreiding zou je denken dat god, die toch een en ondeelbaar is en ook nog eens oneindig goed, geen behoefte zou hebben aan polarisering. Ik lees nu in de kranten dat de ruimtelijke voorstelling, van een soort heelal met twee polen, meer een metafoor is om het gemakkelijker te maken. Die geleerde mensen die al die boeken over god geschreven hebben zeggen nu tegen mij dat ik eigenlijk niet slim genoeg ben om het te begrijpen, en dat ik een beeld nodig heb. En dan hebben we het nog niet over wat de impact van de klimaatverandering zal zijn op de hemel en de hel. We hebben de voorbije weken gemerkt wat er kan gebeuren als de stabiliteit van de pool begint te wankelen. Maar ook dat is voer voor theologen waarschijnlijk.

Gelukkig ben ik dus niet slim genoeg. Binnen mijn beperkte vermogens dacht ik altijd dat de hemel en de hel allebei op aarde zijn. Ik ging ervan uit dat de hemel een moment is, en niet een plek. Met iemand die je graag ziet in een voorstelling zitten, de mooiste muziek ooit horen, fascinerende bewegingen zien, en zodanig in volle aandacht in dat nu zijn dat je in vrede bent met jezelf, dat zou de hemel kunnen zijn. Bestaat de hemel als een aparte plek? Ik ga ervan uit dat vragen waarvan ik weet dat ik ze toch niet kan beantwoorden misschien gewoon mogen rusten op de pechstrook. (Aangezien ik ook nog eens officieel niet slim genoeg ben, komt dat helemaal goed uit.) De hemel is dus een mogelijkheid die in mij rust, en op volledig aardse wijze tot stand komt. De hel is volgens mij het Wijnegem Shopping Center. De aandachtige lezer zal zich afvragen of de hel dan wel een plek is in mijn redenering. Ik zou zeggen dat je alleen al maar moet denken aan het Wijnegem Shopping Center (of Uplace, voor mijn provinciegenoten) om een spontane lichamelijke rilling van het onaangename soort op te wekken die duidelijk maakt dat de mogelijkheid tot hel veel eenvoudiger te begrijpen is dan die slimme theologen beweren.

Maar goed, ik deed wat ik in zo’n gevallen altijd doe: gewoon even bellen met god zelf. Ik heb het nummer van haar rechtstreekse lijn. Zij heeft nog zo’n oude Nokia, en is voorlopig niet van plan over te schakelen op een smartphone. Om een of andere reden lijkt god altijd blij als ik nog eens bel. Ik begrijp dat wel, het moet ook niet eenvoudig zijn om voltijds god te moeten zijn. Soms wil je ook wel eens gewoon even niet de hele tijd volmaakt zijn.

God legde me uit dat zij eigenlijk ook niet alles begrijpt van wat in die boeken van die theologen staat. En wat dan de kwestie van de hemel en de hel betreft. God vertelde me dat het hele verticale idee van de hemel heel ver naar boven, en de hel heel ver naar beneden, niet echt klopt. Ze liggen eigenlijk meer naast, en zelfs door elkaar, zonder harde grens. Hemel en hel zijn een kwestie van willen zien, zo zei god het. Daar moest ik eens over nadenken. We weten dat god soms in raadsels spreekt, om onze geest aan te scherpen.

Maar god kan ook niet alles, zo blijkt. Zelfs die mensen die in de hemel zijn, zijn niet altijd voor rede vatbaar. Ze worden soms ook een beetje laks, of eigenlijk hypocriet. Enkel en alleen op de inherente kwaliteit van de hemel vertrouwen is nog een beetje te hoog gegrepen (wat op zich dan weer verticaler klinkt dan god het wil). Het komt erop neer dat wie in de hemel is tot nader order best de mogelijkheid van de hel kan zien. Wanneer die mogelijkheid nabij is, beseffen we dat ze ook een deel van onszelf kan zijn. Dat was het pedagogisch concept oorspronkelijk.

Maar het ging dus fout. Een aantal hemelmensen wou niet gestoord worden door de mogelijkheid tot hel, door zichzelf als het ware. En die mensen hebben er ondertussen voor gezorgd dat de hele hel overkapt is. Ze hebben er een soort plafond op gebouwd, en daarop dan groen aangelegd. Wie niet goed wil kijken, ziet alleen dat groen. Het is een soort zelfbedrog. Door alleen naar dat groen te kijken, hoef je niet tot je hoofd toe te laten wat er onder dat dak zit, hoef je zelf geen existentiële vragen te stellen. God had het nochtans allemaal goed proberen uit te leggen, met een powerpointpresentatie. Maar het mocht niet baten. Het gouden kalf was al verdronken, bij wijze van beeldspraak. En wat god altijd gevreesd had, door die overkapping was het in de hemel niet beter geworden, integendeel. De hemel was uit balans. Met de hel dichtbij, zichtbaar, aanraakbaar, was er een soort yin en yang, zonder harde grens. Het ene hield de mogelijkheid van het andere in zich.

Het zijn dan wel de paasdagen, maar god is verdrietig. Soms kan zelfs god zich machteloos voelen. Gezien vanuit de menselijke ervaring hebben we wel eens de indruk dat god zwijgt, op oorverdovende wijze. Maar we moeten ook de mogelijkheid overwegen dat god soms verdrietig is.

Voor ik weer inhaakte, hadden we het nog even over Temptation Island. Misschien, zo dachten we, heeft de communicatiedienst van het Vaticaan te intens naar dat programma gekeken toen ze, als door een bliksem geraakt, met alle middelen ontkenden dat de paus het bestaan van de hel zou kunnen ontkend hebben. Sommige mensen hebben een voorliefde voor dubbele negaties.

Het is niet geheel uitgesloten dat de kwestie van het al dan niet bestaan van de hel voorlopig nog niet definitief beslecht wordt. Woorden die met woorden zeggen dat ze zelf onfeilbaar zijn en dogma’s die woorden nodig hebben om te zeggen dat ze een dogma zijn zullen daar niet veel aan veranderen. Woorden zijn in mensenhanden, als twijfelende hemels. En dat is een hele geruststelling.